Bunkerolie


Bunkerolie is brandstof die wordt getankt door vliegtuigen en zeeschepen in een haven van luchthaven. Met bunkeren wordt dan het tanken van deze brandstof gemiddeld.

Er bestaan verschillende soorten bunkerolie, die onderscheiden kunnen worden via de viscositeit, die enorm uiteen kunnen lopen, van bijvoorbeeld 60 tot 500 cSt. De gestandaardiseerde temperatuur waarbij de viscositeit wordt gemeten is 15 °C.

Stookolie is een geschat residuaal product van raffinaderijen, in tegenstelling tot gasolie, of dieselolie, dat een destillaat is.

Kort gezegd, het is een afvalproduct wat weer tot brandstof gebruikt kan worden, anders zou het gelijk worden verbrand.

Aan sookolie worden kleine hoeveelheden andere stoffen toegevoegd, waardoor de motor beter en zuiniger loopt.

De scheepsmotoren kunnen ook de schonere dieselolie gebruiken en zijn in sommige kustgebieden zoals de Noordzee verplicht. Daarbuiten wordt op stokolie gevaren omdat dit goedkoper is dan diesel. Brandstof is de grootste kostenpost van een schip.

Een risico bij het bunkeren is dat de tank overvuld raakt, en dat de bunkerolie overloopt en in het oppervlaktewater terechtkomt. Voor de binnenvaart is voor het bunkeren van gasolie daar een overvulbeveiliging voor verplicht gesteld, die overlopers moeten voorkomen.

Vooral voor zeeschepen is bunkerolie erg vervuild, onder andere het veel zwavel bevat. Zwavel kan worden verwijderd door de raffinaderij, door het plaatsen van speciale filters op schepen of door te gaan varen op andere brandstoffen. Door Internationale Maritieme Organisatie (IMO), zijn beperkingen van het zwavelgehalte in stookolie opgesteld voor zeeschepen.

Deze zijn opgenomen in het zogenaamde MARPOL-verdrag dat is opgesteld om verontreiniging door schepen te voorkomen. Op volle zee toegestaan tot 1 januari 2012 stookolie met maximaal 4,5% zwavel worden gebruikt.

Vanaf de datum is dit maximaal 3,5% en na 2020 niet meer dan 0,5%.

Vanaf 2007 moeten schepen die varen in zogenaamde emissiecontrolegebieden (ECA) al voldoen aan een maximale limiet van 1,5% zwavel.

Vanaf 1 juli 2010 is deze limiet verscherpt tot maximaal 1,0%, en na 2015 is het maximaal 0,1%. Voorbeelden van emissiebeheersingsgebieden zijn de Noordzee en de Oostzee.

In het verdrag van Kyoto zijn de omstandigheden die vrijkomen door het verbruik van bunkerolie uitgesloten. Het gaat om minimale hoeveelheden, zowel zeeschepen als de luchtvaart gebruiken enorme hoeveelheden energie en produceren veel CO2.

In de zeehavens worden de schepen gebunkerd vanuit binnenschepen, tankers met een laadarmconstructie die de leiding hoog aan boord brengt. De aanduiding voor zo’n schip is bunkerboot. Grote bunkerschepen vinden mannen op plaatsen in het binnenland, waar dan binnenschepen en jachten brandstof kunnen innemen. Vaak is er een winkel voor scheepsbenodigheden gevestigd.

Een schip of vliegtuig verbruikt veel brandstof, en daarom moeten de bunkerpompen een hoge capaciteit hebben. Een pompcapaciteit tot 1500 m3 per uur voor het bunkeren van een schip is niet ongewoon. De grootste tankers in het ARA-gebied worden gebruikt voor de bunkers van zeeschepen.

In 2014 was Singapore de grootste bunkerhaven ter wereld met zo’n 40 miljoen ton bunkerolie. Fujairah in de Verenigde Arabische Emiraten stond op de tweede plaats met 20 miljoen ton. Rotterdam volgde met meer dan 10 miljoen ton.

In 2014 tankten jaarlijks gemiddeld zo’n 20.000 schepen in de grootste haven van Nederland en driekwart van de oliestroom ging naar de containerscheepvaart. Verreweg het grootste deel van de maritieme bunkerbrandstof bestond uit stookolie, slechts 5% uit dieselolie en nog circa 1% aan smeermiddelen. De raffinaderijen in Rotterdam jaarlijks meer dan zeven miljoen ton en er werd veel olie uit Rusland gewonnen. In 2013 verzamelde voorraadolie ongeveer $ 600 per ton.